“Mijn vrije tijd? Die verlies ik onderweg”
Alfons -beter bekend als Fonny- werkt al 27 jaar in de bouw. Hij houdt van zijn vak, maar de lange verplaatsingen wegen steeds zwaarder. Vroeg vertrekken, uren in de file en nauwelijks tijd voor zichzelf of zijn gezin: voor veel bouwvakkers is het dagelijkse realiteit.
“Mijn wekker gaat, afhankelijk van de werf, rond 4 uur 20 af. Meestal vertrek ik rond 5 uur om tussen 6 uur 30 - 7 uur op de werf te staan.” Na acht uur fysiek werk volgt de lange terugrit. Hoelang die duurt, hangt af van het verkeer: “soms ben ik 12 uur of langer van huis, terwijl ik maar voor 8 uur word betaald.”
Die lange dagen eisen hun tol. “In het begin van de week gaat het nog, maar vanaf woensdag voel ik mijn energie stilaan opraken. Dan doe ik vooral nog het noodzakelijke: inkopen, de was en de plas… voor hobby’s blijft er eigenlijk geen tijd of energie meer over.” Ook zijn gezinsleven en gezondheid lijden eronder. “Als we pas laat thuiskomen en ik de volgende ochtend om 4 uur 20 moet opstaan, is dat heftig. Dat voel ik de rest van de week. Vroeger kon ik daar beter tegen, maar nu is dat anders.”
Verre werven, terwijl het dichterbij kan
Wat het extra moeilijk maakt, is de werkorganisatie. Waar Fonny aan de slag moet, hangt af van waar er werkkrachten nodig zijn. Daarbij wordt volgens hem te weinig rekening gehouden met de woonplaats van werknemers. “Onlangs moest ik naar Antwerpen, terwijl er op drie minuten van mijn deur een werf lag. Een collega uit Antwerpen kwam dan weer op die werf werken… en dat gebeurt jammer genoeg regelmatig, dat is toch niet logisch?”
Volgens Fonny zouden werkgevers veel meer rekening moeten houden met de woon-werkafstand. Dat zou niet alleen tijd en geld besparen, maar ook de vermoeidheid en verkeersdruk verminderen. Tegelijk ziet hij dat sommige werkgevers al oplossingen zoeken. Zo mag hij bij zijn werkgever een half uur vroeger vertrekken wanneer hij voorbij de Ring van Brussel of Antwerpen moet, zonder loonverlies. “Dat toont eigenlijk al aan dat er een probleem is.”
“Onze vergoeding is een peulschil”
De mobiliteitsvergoeding vindt Fonny veel te laag. “We krijgen een peulschil voor hetgeen we moeten laten. Onze tijd is grotendeels verloren. We slijten veel uren voor zeer weinig centen en zijn toch zwaar belast.” Hoe zwaar die verplaatsingen kunnen doorwegen, ondervond hij onlangs nog. Na een werkdag van acht uur stond hem een terugrit van maar liefst 2 uur 43 minuten te wachten. De heenreis was daar nog niet eens bijgerekend.
Volgens Fonny is het duidelijk: "Het zou goed zijn als de reistijd gelijk zou staan aan de werktijd.” Een eerlijke vergoeding, gecombineerd met minder uren onderweg zou al een zeer groot verschil maken. “Twee uur per dag minder onderweg betekent op jaarbasis zo’n 400 uur extra tijd voor mij. Tijd die ik aan mijn gezin, mijn gezondheid of een hobby zou kunnen besteden.”