Bezuinigen is niet de oplossing

Eind november, aan de vooravond van een driedaagse algemene staking, presenteerde de Arizona-regering haar begrotingsakkoord. Een weinig verrassend akkoord dat zich richt op bezuinigingen in plaats van inkomstenverhogingen. De belangrijkste doelstelling is het verminderen van de Belgische schuld. Volgens het dominante discours is er geen alternatief voor bezuinigingen.

Er bestaan oplossingen

 

Bronnen van het dossier:
Factcheck 1 - We moeten sparen voor we kunnen investeren

We moeten sparen voor we kunnen uitgeven en investeren

Een individu moet sparen vooraleer hij kan investeren in een woning, maar geldt dat ook voor een land?

Volgens de klassieke economie zou dat inderdaad zo zijn:

  • Mensen sparen geld bij de bank.
  • De bank leent dat spaargeld uit aan bedrijven of mensen of overheden die willen investeren.

Deze voorstelling die aanleunt bij het gewone aanvoelen van mensen, en waarbij sparen voorafgaat aan investeren, komt nochtans niet overeen met de realiteit van een economie van een land. 

Banken maken nieuw geld als ze een lening toestaan

Het klinkt raar, maar als je een hypotheek afsluit, stort de bank dat bedrag op je rekening; dat geld bestond daarvoor niet - het is nieuw gecreëerd.

Dit inzicht heeft grote gevolgen voor hoe we naar sparen en investeren kijken:

  • Volgens het klassieke model moet iedereen sparen om investeringen mogelijk te maken.
  • Volgens het moderne model is uitgeven juist goed: het zorgt voor vraag, meer werkgelegenheid, en uiteindelijk ook voor inkomen en spaargeld.

Wat betekent dit voor het beleid?

  • Als iedereen meer zou sparen, zoals vaak wordt aangemoedigd, kan dat juist zorgen voor minder uitgaven, minder groei en minder kredietverlening.
  • Overheden die geld uitgeven aan bv. onderwijs of infrastructuur zorgen niet voor “verspilling” maar kunnen net de economie een boost geven.
  • Banken creëren geld niet doordat mensen sparen, maar doordat mensen, bedrijven en overheden leningen aangaan.

Er zijn dus twee heel verschillende manieren om over geld te denken:

Klassieke visieModerne visie
Sparen gaat vooraf aan investerenInvesteren gaat vooraf aan sparen
Spaarzaamheid is goedUitgaven zijn goed voor de groei
Als er te weinig gespaard worden, dalen de investeringen, want investeringen hangen af van wat er gespaard wordtAls er te weinig vraag is, dalen de investeringen, want investeringen hangen af van de toekomstige vraag
Overheidsuitgaven gebruiken het spaargeld, en verdringen private investeringenOverheidsuitgaven stimuleren private investeringen

Deze tekst laat zien dat het klassieke model achterhaald is, en dat we anders moeten nadenken over geld, banken en economie.

Factcheck 2 - Overheidsschulden zijn een strop voor onze economie

Overheidsschulden zijn een strop voor onze economie

Veel mensen denken dat schulden slecht zijn en dat een overheid altijd moet proberen zo weinig mogelijk schulden te hebben. Dat klinkt logisch, maar in de echte economie werkt dat anders.

Overheidsschulden hebben ook hun positieve kanten

Overheidsschulden zijn nodig om te investeren in morgen

Als de overheid geld leent, kan ze grote investeringen doen, zoals nieuwe wegen aanleggen, scholen bouwen of onderzoek steunen. Die kosten worden dan niet in één keer betaald, maar verdeeld over jaren. Zo betalen zowel de mensen van vandaag als die van morgen mee. Als er geen schulden gemaakt mogen worden, moeten we óf belastingen verhogen óf andere uitgaven schrappen, óf wachten tot er genoeg geld is. Dat vertraagt de vooruitgang en kan schade aanbrengen aan de economie, zoals in Duitsland het geval was. Daarom zal Duitsland het beleid van lage begrotingstekorten aanpassen.

Overheidsschulden stabiliseren de economie

De economie schommelt: soms gaat het goed (hoogconjunctuur), soms slecht (laagconjunctuur). In slechtere tijden geven bedrijven en mensen minder uit. De overheid kan dan bijspringen door méér geld uit te geven, zelfs als ze tijdelijk meer moet lenen. Dat helpt de economie weer op gang. 

Veilige beleggingen

Overheidsschulden zijn ook belangrijk voor banken, pensioenfondsen en verzekeraars. Die investeren vaak in staatsschuld omdat dat veilig is: een overheid gaat minder snel failliet dan een bedrijf. Die veilige schulden worden gebruikt als onderpand en vormen de smeerolie van de financiële sector. 

Conclusie: overheidsschulden zijn een slim hulpmiddel voor ons economisch beleid

Een overheid die een zuinig beleid voert, is niet beter voor de economie. Natuurlijk moet de overheid verantwoord lenen, maar proberen om álle schuld weg te werken, maakt uiteindelijk armer.

Factcheck 3 - De Staat kan niet meer uitgeven dan er binnenkomt

De Staat is als een huishouden en kan niet meer uitgeven dan er binnenkomt 

We horen vaak dat de Staat zijn schulden moet beheren “als een goede huisvader”. Hij moet er dus voor zorgen dat hij niet te veel schulden maakt. Wat geldt voor de huishoudens, geldt evenwel niet voor Staten, omdat overheidsschulden heel verschillend zijn van private schulden. Er zijn in feite twee fundamentele verschillen tussen overheidsschuld en private schuld.

De overheidsschuld moet nooit volledig worden terugbetaald 

In tegenstelling tot een gezin sterft de Staat nooit en hoeft hij zijn schulden nooit volledig terug te betalen. De Staat wordt immers het eeuwige leven toegedicht. Zo sluit de Staat elk jaar nieuwe leningen af om de leningen die aflopen te financieren. Het niveau van de schuld doet er dus weinig toe, aangezien de Staat alleen maar oude schulden vervangt door nieuwe.

Overigens moet worden opgemerkt dat de Staat, in vergelijking met een huishouden, weinig schulden heeft. Een schuldgraad van 100% betekent dat de Staat een schuld heeft die gelijk is aan zijn volledige jaarinkomen. Het is alsof een huishouden dat 25.000 euro netto per jaar verdient, slechts 25.000 euro zou kunnen lenen om een huis te kopen.

In tegenstelling tot een huishouden kan de Staat ingrijpen op verschillende parameters die zijn schuld beïnvloeden

In tegenstelling tot een huishouden, heeft een Staat wel verschillende opties ter beschikking om zijn schuld aan te pakken: 

  • De centrale bank kan schuldobligaties terugkopen als de overheidsschuld te groot wordt. Een huishouden heeft die mogelijkheid niet.
  • De Staat kan belastingen heffen om zijn schuld af te lossen. 
  • De overheidsschuld genereert ook nieuwe inkomsten voor de Staat. Als de Staat bijvoorbeeld schulden aangaat om investeringen te doen, creëert hij werkgelegenheid en stimuleert hij de economie en private investeringen. De nieuwe banen en de economische groei zullen nieuwe belastinginkomsten genereren, waardoor de overheidsschuld zal afnemen.

    De overheidsschuld is dus fundamenteel verschillend van de private schuld. Een hoge overheidsschuld is niet per se problematisch.

Factcheck 4 - Overheidsschulden zijn een last voor toekomstige generaties

Overheidsschulden zijn een last voor toekomstige generaties

Er wordt vaak gezegd dat de overheidsschuld een last is voor de toekomstige generaties. Men denkt dat onze (klein)kinderen in het geheel armer zullen zijn omdat zij de schulden uit het verleden zullen moeten terugbetalen. Dit lijkt een intuïtieve beredenering. Nochtans is dit niet correct, en wel om verschillende redenen:

Overheidsschulden moeten nooit volledig worden terugbetaald

Zoals hierboven vermeld, moeten overheidsschulden nooit volledig worden terugbetaald. Onze (klein)kinderen zullen gewoon nieuwe leningen moeten aangaan om de leningen die aflopen terug te betalen. We moeten echter wel rente betalen op de overheidsschuld. Hoe groter de schuld, hoe hoger de rente die we moeten betalen. Het is dan ook belangrijk dat deze rentelasten niet te hoog oplopen. Daarvoor is het beleid van de centrale bank van essentieel belang, omdat zij lage rentetarieven kan garanderen (zie factcheck 6).

Overheidsschulden zijn nodig om de toekomstige generaties niet op te zadelen met een ecologische en sociale last

Wat men vaak vergeet, is dat de Staat met die schuld nieuwe investeringen kan financieren die onze kleinkinderen ten goede zullen komen. Als de schulden worden aangegaan om infrastructuurwerken (wegen, ziekenhuizen, scholen, openbaar vervoer) te realiseren, om te investeren in onderzoek, onderwijs of de ecologische transitie, dan zullen de toekomstige generaties er beter van worden.

Om vandaag onze klimaatdoelstellingen te halen en aan bepaalde sociale behoeften te voldoen, zouden de Europese landen vandaag tussen 300 en 420 miljard euro per jaar moeten investeren. Als ze dat niet doen, zullen ze een zware ecologische en sociale schuld nalaten aan de toekomstige generaties. Door een reeks bezuinigingsmaatregelen op te leggen, zullen de Europese landen hun ecologische en sociale doelstellingen niet kunnen halen.

Overheidsschulden zijn geen last voor toekomstige generaties. Ze zijn nodig om sociale behoeften en de ecologische transitie te financieren. De ecologische en sociale schulden die we onze kleinkinderen nalaten, zullen veel schadelijker zijn dan economische schulden.

Factcheck 5 - Een schuldgraad boven de 60%/90%/100% is desastreus

Een schuldgraad boven de 60%/90%/100% is desastreus 

De Europese grondwet schrijft voor dat de schuld van de Europese lidstaten niet meer dan 60% van het bbp mag bedragen. Tegenwoordig spreekt Europa over een drempel van 90% van het bbp. In werkelijkheid hebben deze drempels weinig economische betekenis en moeten ze om verschillende redenen in twijfel worden getrokken.

Deze drempels zijn willekeurig en onwetenschappelijk 

Het schuldenplafond van 60% van het bbp werd bij de oprichting van de Europese Unie willekeurig vastgesteld. Het vertegenwoordigde de gemiddelde schuldgraad van de twaalf toekomstige EU-lidstaten op dat moment, zonder verdere economische rechtvaardiging. De drempel van 90% van het bbp wordt door veel economen betwist. 

Er is namelijk geen bewezen verband tussen een bepaalde schuldgraad en het feit of de schuld houdbaar is. 

Zo is de schuld van Japan gestegen van 98% van het bbp in 1995 naar 250% van het bbp vandaag, en toch heeft Japan geen moeite om zijn schuld te financieren. Het betaalt zelfs lagere rentevoeten op de schuld dan België. Ook de schuld van de VS bedraagt 125% van het bbp, en dat levert geen problemen op.

Een andere graadmeter is belangrijker:  g > r

De belangrijkste graadmeter om te bepalen of een schuld houdbaar is of niet, is niet de hoogte van de schuld, maar het verschil tussen de rente die een regering op haar schulden betaalt en de groei van de economie.  De economische groei (g) moet hoger zijn dan de gemiddelde rente op de schuld (r) om te voorkomen dat de schuld uit de hand loopt.

De rol van de politiek is erg belangrijk om g > r te garanderen: 

g > r

De Staat moet een beleid voeren dat de economische groei ondersteunt. Daarvoor is het soms nodig om schulden te maken. Het bezuinigingsbeleid van Arizona zal de economische groei verzwakken.

Het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB) is hier erg belangrijk, omdat het lage rentetarieven op staatsschulden kan garanderen (zie factcheck 6).

Volgens talrijke studies zou deze graadmeter (g > r) de komende twee decennia positief blijven in België. De Belgische schuld is dus houdbaar, de hoge schuldgraad is nog niet problematisch en de bezuinigingsmaatregelen van Arizona zijn niet nodig.

Factcheck 6 - Hoge schulden dreigen België het ‘Griekenland aan de Noordzee’ te maken

Hoge schulden dreigen België het ‘Griekenland aan de Noordzee’ te maken

In 2010 explodeerden de rentevoeten op de Griekse schuld en wilden de financiële markten Griekenland niet langer financieren. Men dacht dat Griekenland failliet zou moeten gaan. Sindsdien wordt, zodra de schuldgraad hoog is, rechts op het politieke speelveld regelmatig gedreigd met een scenario zoals in Griekenland. 

De Griekse schuldencrisis is echter vooral te wijten aan de terughoudendheid van de Europese Centrale Bank (ECB) om Griekenland te helpen. Deze crisis had gemakkelijk voorkomen kunnen worden als de ECB tijdig had ingegrepen. De ontwikkeling van de rentevoet en daarmee het feit of de schuld houdbaar is hangt namelijk in belangrijke mate af van het beleid van de centrale banken.

De centrale banken beschikken dus over drie instrumenten om ervoor te zorgen dat de rente laag blijft: 

  1. Ze kunnen lage rentetarieven vaststellen: Hoe meer de centrale bank haar rentetarieven verlaagt, hoe meer staten zich tegen lage kosten op de financiële markten kunnen financieren.     
  2. Ze kunnen staatsschulden kopen. Dit garandeert een “onbeperkte” financiering voor de lidstaten, wat de financiële markten onmiddellijk geruststelt en lage rentetarieven garandeert. In tegenstelling tot de centrale banken van andere grote economieën (VS, Engeland, Japan, enz.) kan de Europese centrale bank echter niet zomaar de staatsschulden van de Europese lidstaten opkopen. Dit vormt een groot probleem, omdat Europese lidstaten daardoor afhankelijk zijn van de financiële markten en de rentevoeten omhoog kunnen schieten.
  3. Ze kunnen geld creëren om overheidsmaatregelen en investeringen te financieren, waardoor de Staat zijn beleidsmaatregelen kan financieren zonder schulden te maken. Volgens veel economen wordt er veel te weinig gebruik gemaakt van deze mogelijkheid om geld te creëren. 

In niet-Europese landen, die nog steeds over een eigen centrale bank beschikken, bestaat het probleem waarmee Griekenland te kampen had niet: in deze landen koopt de centrale bank in turbulente tijden gewoon de nodige schuldpapieren op om paniek bij de banken te voorkomen. In Griekenland weigerde de ECB in 2009 aanvankelijk in te grijpen. De rentevoeten schoten omhoog en het bezuinigingsbeleid dat werd ingevoerd om de Griekse schuld te verminderen, mislukte jammerlijk. Pas toen de ECB in de zomer van 2012 aankondigde dat zij Griekse schuldpapieren zou terugkopen, kwam er een einde aan de crisis. Het is dus niet het bezuinigingsbeleid dat ervoor heeft gezorgd dat de Griekse rente is gedaald, maar wel het monetaire beleid van de ECB. 

Sinds de Griekse schuldencrisis heeft de ECB meerdere malen besloten in te grijpen om de Europese staatsschulden veilig te stellen. De Europese begrotingsregels werden zelfs opgeschort tijdens de COVID-periode. De lidstaten konden schulden aangaan om aan de behoeften van deze periode te voldoen. Dankzij het optreden van de Europese Centrale Bank bleven de rentetarieven laag en steeg de schuldgraad niet veel. De nieuwe begrotingsregels verscherpen echter opnieuw de toon. 

Conclusie

  • De explosieve stijging van de schuld in de eurozone rond 2010 kan niet worden verklaard door het hoge schuldniveau, maar door verkeerde politieke beslissingen van de ECB. Als de ECB de financiële markten gerustgesteld had door staatsschulden op te kopen, zouden de rentetarieven laag zijn gebleven en zou er geen beroep hoeven te worden gedaan op enorme bezuinigingsmaatregelen, die overigens niet effectief zijn gebleken.
  • De rol van de centrale bank is dus cruciaal. Het optreden van de centrale bank is veel effectiever dan bezuinigingsmaatregelen om de schuldenlast te verminderen. Zij hebben de macht om de financiële markten gerust te stellen, ervoor te zorgen dat de rente laag blijft en dat de formule g > r positief blijft.
  • Het is dus belangrijk dat de ECB kan blijven ingrijpen om de Europese schulden veilig te stellen. Als dat het geval is, is een hoge schuldgraad geen probleem. 
Factcheck 7 - We moeten snoeien om te groeien

We moeten snoeien om te groeien.

Snelle begrotingsaanpassingen hebben een krimpend effect, zowel op de particuliere vraag, als op het totale bbp. Saneringen blijken altijd als een forse rem op de groei te functioneren.

De schuld wordt uitgedrukt in % van het bbp. Als het bbp daalt, stijgt de schuld! 

De bezuinigingsmaatregelen zullen echter een negatief impact hebben op het bbp, wat uiteindelijk kan leiden tot een stijging van de schuld De besparingslogica botst dus op haar eigen limiteten: omdat het noemer-effect (impact op de groei en het bbp) vaker groter is dan het teller-effect (impact op de totale staatsschuld), daalt de schuldratio niet maar neemt die net toe. Op die manier dreigt men echter in een vicieuze cirkel (of zogenaamde ‘fiscale doemlus’) te verzeilen waarbij de negatieve effecten van besparingen de nood aan extra besparingen alleen maar groter maken. In veel gevallen leidde de bezuiniging juist tot een hogere overheidsschuld, net omdat de economische activiteit afnam, waardoor belastinginkomsten daalden en de sociale uitgaven stegen. 

Tussen 2011 en 2013 zijn de bezuinigingsmaatregelen in Europa op een mislukking uitgelopen. De economische groei van het bbp is zo sterk gedaald dat de schuldgraad, uitgedrukt in % van het bbp, is gestegen. In Griekenland, waar de bezuinigingsmaatregelen het strengst waren en de hele bevolking hebben verarmd, is de schuld gestegen van 115% van het bbp in 2009 tot 180% van het bbp in 2014. In België is de schuld tussen 2010 en 2014 gestegen van 100% van het bbp naar 107% van het bbp. Zelfs het IMF geeft toe dat bezuinigingsmaatregelen over het algemeen niet leiden tot een verlaging van de verhouding schulde/bbp. 

Bovendien, indien men overheidsschulden wil terugdringen, is het met andere woorden economisch efficiënter om bepaalde belastingen (in essentie op hogere inkomens en vermogen) te verhogen dan scherp te snijden in de uitgaven.

Conclusie

  • De door Arizona voorgestelde bezuinigingsmaatregelen zijn niet doeltreffend om de schuldgraad te verminderen, omdat ze een negatief effect zullen hebben op de economische groei en het bbp. De schuldgraad, uitgedrukt in % van het bbp, dreigt te stijgen. Eerdere bezuinigingsmaatregelen in Europa en andere landen hebben niet geleid tot een daling van de schuldgraad.

  • De bezuinigingsmaatregelen zijn ideologisch: in tegenstelling tot wat de regering beweert, zijn ze niet bedoeld om de schuldgraad te verminderen, maar wel om de sociale uitgaven te beperken en een beleid ten gunste van de werkgevers in te voeren (aanval op de sociale zekerheid en het arbeidsrecht).

Factcheck 8 Het geld is op. We hebben collectief boven onze stand geleefd.

Het geld is op. We hebben collectief boven onze stand geleefd.

Factcheck 8a: De Belgische overheid is spilziek en te gul in (sociale)uitgaven.

  • België spendeert niet meer aan sociaal beleid of gezondheidszorg dan de ons omringende landen. Integendeel, de uitgaven aan sociale zekerheid en gezondheidszorg liggen hier zelfs lichtjes lager dan het gemiddelde van wat onze buurlanden uitgeven.

  • Wat wel opvalt, in vergelijking met onze buurlanden, is dat één uitgavenpost er bij ons met kop en schouders bovenop steekt: ‘economische zaken’.

  • Economische zaken is een brede verzamelnaam voor een hele reeks beleidsdomeinen en -maatregelen: van loonsubsidies, over dienstencheques, tot ook uitgaven voor het openbaar vervoer en mobiliteit. Binnen deze categorie zijn het voornamelijk de beleidsmaatregelen ‘ter ondersteuning van de economische activiteit’ (zoals loonsubsidies en vrijstellingen van bedrijfsvoorheffing voor ondernemingen) die hoog uitvallen. 

  • Die maatregelen werden veelal ingevoerd om het ‘kostenconcurrentievermogen’ van Belgische bedrijven te verbeteren. Als gevolg daarvan, droegen bedrijven in 1996 voor elke 100 euro brutoloon nog 33 euro bij aan de sociale zekerheid, terwijl dat nu nog slechts 21 euro bedraagt. Dergelijke loonlastenverlagingen hebben de overheid tot op vandaag al meer dan 16 miljard euro gekost per jaar en de kosten zullen nog verder oplopen (tegen 2027 al tot een geschatte kost van 18 miljard euro, per jaar).

  • Een belangrijk deel van de oplopende kost is ook toe te schrijven aan de “tax shift” van de regering-Michel. Die omvatte, naast de verlaging van de werkgeversbijdragen, ook nog een verlaging van de vennootschapsbelasting en een hervorming van de persoonsbelasting. De minderinkomsten ten gevolge van de doorgevoerde hervormingen werden echter onvoldoende gecompenseerd door nieuwe inkomstenbronnen (anders gezegd: er werd met ‘terugverdieneffecten’ gegoocheld die nooit gerealiseerd zijn). De doorgevoerde taks shift was dus geenszins een budgetneutrale shift maar wel een simpele belastingverlaging of tax cut. Gevolg van die fiscale keuzes en vrijstellingen is echter een structurele onderfinanciering van de sociale zekerheid.

  • Net als de Nationale Bank, wees het Federaal Planbureau in een rapport uit 2022 al op het feit dat vele vormen van overheidssteun aan bedrijven weinig doeltreffend zijn en de snel stijgende budgettaire kosten voor de overheid moeilijk kunnen verantwoorden. Ze wijst daarbij ook op “de mogelijkheid om de efficiëntie van de belastingvoordelen te verhogen door een plafond in te voeren op de onvangen overheidssteun” omdat die efficiëntie vooral afneemt met de hoogte van de ontvangen voordelen. Er lijkt bijgevolg heel wat marge te bestaan om de efficiëntie van de uitgaven gemaakt onder de noemer van ‘algemeen economisch beleid’ kritisch door te lichten en te stroomlijnen.

Factcheck 8b: Er is geen ruimte voor extra belastingen want we hebben in België al de hoogste algemene belastingdruk in de wereld.

  • Het is niet zo dat vermogen of vermogensinkomsten in België ook effectief zwaar belast worden.

  • Die perceptie berust grotendeels op een grafiek die de relatief hoge verhouding van belastinginkomsten uit kapitaal en vermogen uitzet tegenover het bbp. Daarbij wordt een wel heel erg brede definitie van kapitaal- of vermogensbelastingen gehanteerd. Bovendien is de verhouding van kapitaal- of vermogensinkomsten ten opzichte van het bbp geen correcte maatstaf om de belastingdruk te meten. De grafiek zegt weinig over de effectieve fiscale druk die in België rust op kapitaal en vermogen.

  • Dat de fiscale druk in België erg ongelijk verdeeld is, maakte de OESO overduidelijk in haar rapport ‘The taxation of labour vs capital income’ uit 2023, waarbij de instelling wees op het grote verschil in effectieve belastingvoet in België op inkomsten uit arbeid versus inkomsten uit vermogen (voor de grootste verdieners). Hun conclusie is duidelijk: volgens hun berekeningen worden die verschillende inkomstenbronnen nergens in de OESO ongelijker behandeld en belast dan in België.

  • Dat grote verschil heeft te maken met het uitblijven van een belasting op reële huurinkomsten en meer nog met de in de praktijk totale afwezigheid van een meerwaardebelasting op de verkoop van aandelen. België kent in theorie wel een meerwaardebelasting (van 33 procent) maar die is niet verschuldigd als de meerwaarde tot stand komt als gevolg van een ‘normaal beheer van privévermogen’. In de praktijk blijven meerwaarden dus veelal onbelast.

  • Als land zonder meerwaardebelasting voor particulieren is België internationaal een anomalie. Weinig andere landen hanteren een reëel nultarief op de verkoop van aandelen. In de Eurozone gaat het enkel om Malta, Tsjechië, Slovakije en Slovenië. Buiten de Eurozone laten – naast notoire belastingparadijzen als de Bahama’s en de Kaaimaneilanden – ook Zwitserland, Georgië en Turkije meerwaarden onbelast. De meeste Europese landen belasten meerwaarden echter aan een progressief tarief tussen de 20 en 35 procent. In Denemarken ligt de hoogste belastingvoet zelfs op 42 procent. In Noorwegen is dat 37,8 procent en in Finland en Frankrijk allebei 34 procent.

  • Het uitblijven van een progressieve meerwaardebelasting komt vooral de rijkste Belgen ten goede: recente cijfers van de Nationale Bank over de verdeling van het vermogen over de Belgische gezinnen maken duidelijk dat meer dan de helft (55 procent) van het netto-vermogen in het bezit van de top 10% rijksten is en dat deze groep maar liefst 79 procent van de genoteerde aandelen aanhoudt.

Tools

Er bestaan alternatieven